Hoewel Noord-Korea de laatste jaren vooral in het nieuws komt vanwege zijn wapenprogramma’s en cyberaanvallen, blijven er wereldwijd zorgen bestaan over een andere, minder zichtbare praktijk: het mogelijk ontvoeren van buitenlanders voor strategische doeleinden. Internationale veiligheidsdiensten en mensenrechtenorganisaties signaleren dat de gesloten dictatuur nog altijd betrokken kan zijn bij heimelijke operaties om specifieke individuen over te brengen naar Noord-Korea, al wordt dat nauwelijks nog publiekelijk bevestigd.
Inlichtingenbronnen uit Zuid-Korea en Japan geven aan dat er sinds de coronapandemie minder meldingen zijn geweest van verdachte verdwijningen in de regio. Toch betekent dit niet dat de praktijk volledig tot het verleden behoort. Vooral mensen met kennis van technologie, wetenschap of andere specialistische vaardigheden blijven volgens analisten een potentieel doelwit. De extreme geslotenheid van het regime maakt onafhankelijke verificatie echter uiterst moeilijk.
Hoe Noord-Korea burgers roofde voor haar machtsmachine
Noord-Korea’s betrokkenheid bij internationale ontvoeringen kreeg wereldwijd aandacht in de jaren ’70 en ’80, toen tientallen Japanse burgers op mysterieuze wijze verdwenen. Jaren later bleek dat velen van hen waren ontvoerd door Noord-Koreaanse agenten, vaak vanaf afgelegen stranden of dorpen, met als doel hen in te zetten voor het trainen van spionnen of het maken van propaganda. De meest opvallende zaak is die van de Japanse filmmaker couple, Shin Sang-ok en Choi Eun-hee, die in 1978 in Hongkong werden ontvoerd op bevel van Kim Jong-il, de vader van de huidige leider Kim Jong-un.
Het tweetal werd gedwongen om films te maken voor het Noord-Koreaanse regime, waaronder de cultklassieker Pulgasari, een soort Noord-Koreaanse Godzilla. Pas acht jaar later wisten ze via Wenen te ontsnappen tijdens een buitenlandse reis. In 2002 gaf Pyongyang voor het eerst toe dat het 13 Japanners had ontvoerd, van wie sommigen inmiddels zouden zijn overleden. Ondanks die zeldzame bekentenis blijft er veel onduidelijkheid bestaan over het totale aantal slachtoffers en hun lot. Japan houdt vol dat er nog altijd meerdere mensen vermist zijn die mogelijk in Noord-Korea worden vastgehouden.

De ontvoeringen van buitenlandse burgers zijn een ernstige schending van soevereiniteit en mensenrechten. Dit soort beleid wordt ondersteund door de Noord-Koreaanse autoriteiten.
Een andere koers onder Kim Jong-un?
Hoewel de ontvoeringen van buitenlandse burgers jarenlang een centrale rol speelden in het buitenlandse beleid van Noord-Korea, lijkt het regime onder Kim Jong-un een andere koers te varen dan onder zijn vader, Kim Jong-il. Sinds het aantreden van de jongere Kim in 2011 zijn er minder meldingen geweest van nieuwe ontvoeringszaken en ligt de nadruk vaker op economische projecten, diplomatieke ontmoetingen en cyberaanvallen als alternatieve manieren om invloed en inkomsten te verkrijgen. De afname van diplomatieke spanningen met enkele landen en de pogingen om internationale investeringen en toerisme aan te trekken, wijzen mogelijk op een meer pragmatische koers.
Toch blijft het verleden zwaar meewegen. Voor landen als Japan en Zuid-Korea blijven onopgeloste ontvoeringszaken een gevoelig punt in onderhandelingen. Ook al lijkt Kim Jong-un minder gefocust op grootschalige ontvoeringscampagnes, het regime blijft ondoorzichtig en onvoorspelbaar. Westerse inlichtingendiensten waarschuwen dat het risico op individueel gerichte operaties nog altijd bestaat, zeker in landen waar Noord-Koreaanse agenten actief zijn. De hoop op structurele verandering is er, maar het wantrouwen blijft diep geworteld zolang de ontvoerde personen niet worden gerepatrieerd en Noord-Korea geen volledige openheid van zaken geeft.







